De stilte die neerdaalt over de weilanden, aan het einde van
een zomermiddag. Alleen het gezoem van insecten en het geluid van de grazende
koeien. Als in de verte het gepruttel klinkt van de trekker van boer Frits,
steken ze hun kop op en lopen vast in de richting van de melkmachine onder de
knotwilgen.
Frits kent zijn koeien en hun karakters, alle achtentwintig. “Berta
doet net zo chagrijnig als haar moeder, maar als je ze een tijdje achter de
oren aait voordat je gaat melken, vinden ze alles best,” leert hij mij, zijn
buurjochie van acht. Frits is een soort opa voor me, ik mag hem altijd komen
helpen. De geur van koeienlijven en kruidig gras in de namiddagzon, de eerste
melk die je met de hand melkt, een natte snuit die zachtjes in je hand wordt
gedrukt – als mijn herinneringen ooit schimmig worden en achterwaarts
verdwijnen, zijn dit de dingen die ik nog weet.



















