donderdag 12 februari 2026

‘Je moet door de wereld en dat is vaak geen aangename plek’: Cees Nooteboom over de tragiek van de menselijke soort

 

Cees Nooteboom drukte me de Duitse vertaling van 'Philip en de anderen' (1955) in handen. De liftende hoofdpersoon lag inmiddels ver achter hem, maar ik was even oud als Nooteboom toen hij het schreef, en even oud als Philip, 21 jaar, en een lifter en beginnend schrijver bovendien. En hij was ingenomen met de Duitse titel: 'Das Paradies ist nebenan'.

In december 1992 interviewde ik Cees Nooteboom voor het literair-culturele tijdschrift Icarus, naar aanleiding van het verschijnen van de Duitse editie van zijn debuutroman Philip en de anderen (1955).

Ik heb het opgediept uit de archieven - als eerbetoon aan Nooteboom, die gisteren op 92-jarige leeftijd overleed.

Eronder volgt een latere bespreking van de roman Allerzielen: Een mens mag toch niet zomaar verdwijnen?




‘Je moet door de wereld en dat is vaak geen aangename plek’: Cees Nooteboom over de tragiek van de menselijke soort


"De cirkel is rond nu," constateert Cees Nooteboom. “De allereerste regel die ooit in een boek van mij is verschenen, was immers van Constantijn Huygens: ‘Ces povres resveurs, ces amoureux enfants' (deze arme dromers, deze verliefde kinderen). Het citaat dat ik toen vond, duidt al op mijn oriëntatie. Aan de ene kant een beetje weg van de Nederlandse literatuur en aan de andere kant er toch ook weer bij – Huygens, maar dan in het Frans. En daarbij, het droomelement in mijn werk zit natuurlijk ook in dat citaat, het poëtische: dat alle dingen aan elkaar raken."

Cees Nooteboom is en blijft een beetje een vreemde meneer die nergens echt bij hoort. Niet bij het Nederlandse literaire leven, niet bij een stroming en niet bij de wereld waarin hij reist. Hij woont in Amsterdam, maar ook in Spanje en Berlijn. Maar meestal is hij op reis. Zijn hele leven lijkt een aaneenschakeling van reizen. Zijn debuutroman ‘Philip en de anderen' (1955) was de neerslag van een lifttocht door Frankrijk. In de jaren zestig reisde hij buiten de Europese grenzen en schreef hij literaire reisreportages voor de Volkskrant en Avenue, die in boekvorm gebundeld werden. Later volgden romans over reizende mensen, en reisboeken als 'Voorbije passages' (1981), 'De wereld een reiziger' (1989) en 'De omweg naar Santiago' (1992). De wereld van zijn boeken is melancholisch en soms surrealistisch. De sfeer een beetje weg van hier, de taal poëtisch.

"Gewoon realisme in fictioneel werk, doet me niets," verklaart Nooteboom. "In 'Philip en de anderen' wordt toch ook al een beetje getoverd. Het hoort tegenwoordig dat je realistisch schrijft. Maar dat boeit me totaal niet. Ik heb het maar één keer gedaan, in 'Rituelen'. Mij interesseert meer een literatuur die zijn eigen werkelijkheid schept, dan een literatuur die de werkelijkheid weergeeft. Een schrijver is iemand die het talent behouden heeft de werkelijkheid naar eigen inzicht te hervormen: iemand die zich uit de wereld terugtrekt op z'n kamertje, geheel alleen en iets opschrijft wat er nog niet was. Dat is een heel aardig beroep."

 

Droomwereld

In het schemerige woonkamertje-met-schouw van Nootebooms grachtenpand in Amsterdam praten we een halve ochtend te midden van boeken en schilderijen. Af en toe komt zijn levensgezel Simone binnen met verse koffie. Tot in de keuken liggen Nootebooms boeken opgestapeld; Duitse, Franse, Spaanse en Engels uitgaven. Zijn oeuvre omvat al meer dan dertig titels.

"Ik geloof dat ieder mens het talent om de werkelijkheid te hervormen oorspronkelijk bezat. Fantaseren is een talent dat eigenlijk alle kinderen hebben. Ze komen thuis met een fantastisch verhaal waarvan de ouders weten: dat kan dus niet. Die verbeeldingsgave wordt je afgeleerd. Je moet de waarheid vertellen, je moet de werkelijkheid weerspiegelen. De wereld is nou niet bepaald een kracht die vóór de verbeelding is. De meest mensen conformeren zich, schamen zich voor hun fantasie, zijn bang om gek gevonden te worden."

 

Uw romandebuut 'Philip en de anderen' is eind vorig jaar uitgebracht in Frankrijk en Duitsland. Het boek wordt vaak gezien als de beschrijving van een initiatiereis, een inwijding. In hoe verre was het dat voor u zelf?

"Philip creëert direct al zijn eigen wereld die haaks staat op de werkelijkheid van de mensen om hem heen. Het is een zelfbedachte droomwereld, die in stand gehouden moet worden in de echte werkelijkheid. In die zin is het voor mij zelf een initiatiereis, want het instandhouden van die wereld, daar gaat toch een flink deel van mijn werk over."

 

U was Philip?

"Ja..., nee, ik was Philip niet. Ik heb niet de monnik ontmoet, ik heb niet naar het Chinese meisje gezocht. Maar op die leeftijd is er weinig afstand tussen schrijver en personage. In zoverre dat hij mijn creatie was, was ik hem natuurlijk. Ik zou 'Philip en de anderen' nu heel anders schrijven. Ik wist toen niks van schrijven en schrijftechniek. Wat ik in 'Philip en de anderen' zie, is mijn pure talent, met alle fouten van dien. Maar op een gegeven moment is een boek af. Dan kan ik er later niet meer in. Elk fictioneel werk is zijn eigen eenheid. Een van de dingen die je later leert, is dat de wereld niet zo in elkaar zit als die voor Philip in elkaar zat."

 

In uw meest recente boeken, 'De omweg naar Santiago' en 'Vreemd water', lijkt u toch nog steeds te dwalen door een grote boze wereld, net als Philip.

"Ja, ik reis nog steeds door de wereld, maar in een andere vorm. Ik kan niet meer gaan liften, om maar eens iets te noemen. Je verandert ook niet geheel van persoonlijkheid. Maar je moet door de wereld, en de wereld is vaak geen aangename plek... Je wordt ouder, gelooider en wijzer of misschien stommer, de hemel mag het weten."

 

Universum

 In 1963 verscheen uw tweede roman, 'De ridder is gestorven'. In een interview zei u dat dit boek een afscheid was van wat daarvoor was, een moord op de schrijver van 'Philip en de anderen'. Is de figuur van de dode schrijver uit 'De ridder is gestorven’ dezelfde als Philip?

"Dat kun je natuurlijk zeggen, maar dat zijn van die ontoelaatbare dingen die een schrijver nooit zal doen. Een boek is een fictioneel universum, dat is dicht. En het volgende boek ook. De hoofdpersonen hebben met elkaar niets te maken. Wat u nou doet is psychologie. 'De eerste figuur is gecreëerd door iemand, en die tweede ook, dus daar moet een link tussen zitten'. Maar dat betekent dat je niet volledig in het fictionele universum van die boeken bent getreden. Met zo'n benadering hebben ze allemaal met elkaar te maken, dan is het een grote soep van personen die eigenlijk allemaal de schrijver zijn. Maar zo is het niet de bedoeling. Philip is een creatie, die kun je niet zo maar overbrengen in een ander boek en hem vermoorden U moet het als afzonderlijke werken zien. Philip is misschien na zijn lifttocht op kantoor gegaan en voor eeuwig gebleven. Daar kun je niks mee."

 

Vanaf 'De ridder is gestorven' wordt in uw werk een conflict uitgevochten tussen fictie en werkelijkheid. De tijden en de handelingen 'kloppen niet'.

"Ik word vaak een postmodern schrijver genoemd, maar dat is iets van academici, dat houdt me niet bezig. Net zo min als ik mezelf tot een literaire stroming zal rekenen. Ik weet nog dat ik in Amerika voorlas uit 'Een lied van schijn en wezen'. 'Ah', zei iemand, 'dit is metafictie'. Ik wist niet eens wat ze ermee bedoelden. Nu weet ik precies wat het is, namelijk een boek waarin je over een boek schrijft. Dat zie ik ook nog wel en dan ben ik bereid om te zeggen: ja, dit is metafictie. Maar ik noem mijzelf absoluut niet postmodern. Mij zegt het niks."

 

Afzondering

 U schrijft fictie, maar ook reisverhalen en beschouwingen. Hoe scheidt u journalistiek en literatuur?

"Een fictionele creatie kan ik alleen schrijven als ik mij in een soort tijdsvacuüm bevind. Dan moet ik me echt afzonderen en dan moet ik toch een beetje de wereld opzij houden. Ik zou dan niet 's avonds nog een stuk over de huidige politiek kunnen schrijven. Als je een idee hebt voor een roman, dan kun je niet al te veel wereld toelaten, want dan vertroebelt het.

Maar ik ben in 1989 naar Berlijn gegaan om een roman te schrijven, fictie dus, en toen viel de Muur. Die roman is er dus nooit gekomen. Omdat de gebeurtenissen me zo bezighielden, werd het een journalistiek werk, 'Berlijnse notities'. Het makkelijke van non-fictie is, dat je geen onderwerp hoeft te verzinnen. Dat is het verschil met fictie. De schrijvende instantie registreert en noteert alleen maar. Je kunt gewoon doorschrijven zonder dat je iets hoeft te verzinnen want de wereld verzint het even voor je. Bij fictie moet je toch telkens weer een heel fictioneel universum, tja dat klinkt zo groot, maar ik weet het niet anders te zeggen, een fictionele eenheid creëren. Iets waar je intreedt en waar je dan in moet blijven."

 

Cynisch 

Maar ook binnen de verschillende genres is bij u sprake van aan de ene kant een journalistieke, observerende houding, en aan de andere kant een flinke dosis emotionele betrokkenheid.

"Als ik niet betrokken was geweest bij wat er in Duitsland gebeurde, had ik nooit zo kunnen registreren als in 'Berlijnse notities'. Aan de andere kant, als je niet heel goed registreert wat er gebeurt raak je ook nooit zo betrokken. Maar er zijn vormen van betrokkenheid waarbij je door de bomen het bos niet meer ziet, waarbij je zelf partij wordt."

 

Het afstandelijke in uw stijl wordt vaak cynisme genoemd. Bent u cynisch?

"Nee, niet cynisch, dat geloof ik niet. Maar er zijn in de wereld wel een aantal constanten van kwaad, van onrechtvaardigheid, die...eh... je moet er maar tegen kunnen. En een van de dingen waarmee je je wapent is een zekere gelooidheid. Dat kun je cynisme noemen. Iedereen die elke dag de beelden van onrechtvaardigheid op de televisie ziet is al cynisch, al windt hij zich nog op.

Wij profiteren als maatschappij van de onrechtvaardigheden in de wereld, op grote schaal. Dat is pas echt cynisch."

 

Boodschap 

Heeft u een bedoeling met uw schrijven?

"Ik neem het aan. Het schrijven is de bedoeling zelf. Het doen zelf, de actie, het creatieve proces. De behoefte om iets te maken. Maar een boodschap? Je hebt het tegen iemand natuurlijk, je vertelt een verhaal in het geval van fictie. Maar ik vertel het niet om de wereld uit te leggen. De boodschap is het ding zelf. Maar ik ga niet zitten schrijven met het idee: ik ga een wereldbeeld overbrengen. Je hebt een bepaald idee ergens over, en daarover wil je schrijven. Dat zijn processen die uit de persoonlijkheid zelf voortkomen. De lust om te vertellen, dat is het."

 

En wanneer u reisverhalen schrijft, non-fictie?

"Dan probeer ik wel te laten zien hoe dingen in elkaar zitten. In een boek als de 'Berlijnse Notities'...tja, wie het leest, leest het, wie het niet leest niet, ik overschat de invloed geen drie minuten, maar iemand die het leest krijgt wel een inzicht in de Duitse situatie. Zo bezien zijn er dingen die ik wel wil overbrengen, ja. Maar ik sta niet op en denk: ik moet de mensheid een boodschap brengen.

Als je het goed doet, is die boodschap er toch wel. Ik geloof dat goede boeken iets bewerkstelligen bij mensen. Milan Kundera heeft gezegd dat fictie een subversieve kracht is. In wezen wordt literatuur altijd gewantrouwd, en dat is wat het zo groot maakt. In die zin is kunst het desem van de maatschappij. Dat in tegenstelling tot de televisie, die zich volstrekt conformeert aan de samenleving. Stel je voor dat er geen kunst was, wat zou dan nog de innerlijke werking van mensen kunnen beïnvloeden?"

 

Religie?

"Ja..., maar wat is dat? Ik bedoel, de georganiseerde vorm van religie, zoals we die al eeuwen kennen? Ik heb niet de indruk dat mensen daar nieuw van worden. Het dient als, of laat ik eerlijk zijn: het dient bij véél mensen als afweermiddel tegen angst."

 

Hoe bedoelt u dat?

"Van nature is de mens bang voor de dood. Omdat dat het einde is van het leven. Of in elk geval het leven zoals we dat kennen. Maar ook omdat de dood het leven zo zinloos maakt. Religie geeft in ten minste die zin aan het leven en de mogelijkheid van een leven na de dood. Religie interesseert mij in de georganiseerde vormen weinig."

 

In hoeverre speelt uw katholieke opvoeding nog een rol voor u?

"In zo verre dat ik een boek als 'Het volgende verhaal' nooit had kunnen schrijven zonder mijn gymnasiale kennis van de klassieken. Dat heb ik aan mijn katholieke jeugd te danken. Maar mijn zin voor mystiek komt daar niet vandaan. In 'Rituelen' heb ik al gezegd dat mystiek ook zonder godsdienst bestaat. En een mysticus uit Azië is net zo goed een mysticus als de Heilige Johannes van het Kruis. Het is een vorm van zijn. Officiële religies weten daar bijna nooit iets mee aan te vangen."

 

Gedichten

 Naast proza heeft u gedichten geschreven. Al direct na uw debuutroman verscheen uw eerste dichtbundel, 'De doden zoeken een huis' (1956). Later volgden er nog vier bundels. U wijst er vaak op dat u in de eerste plaats dichter bent, en dan pas schrijver.

"Ik denk dat de kern van mijn wezen het dichterschap is. Ik schrijf ook romans. Maar zonder poëzie kan ik mij de wereld niet voorstellen. Het is een andere uiting, meer bij de kern, bij je persoonlijkheid. Romans zijn meer naar buiten, een publieke vorm van poëzie. In een gedicht kan je je toestaan minder expliciet te zijn. Hermetisch, zoals dat dan heet."

 

Uw gedichten zijn nooit erg positief ontvangen door de critici. Kwalificaties als 'hermetisch' en 'ondoorgrondelijk' vallen inderdaad nogal eens.

"Ik houd dat altijd tegen, omdat ik ze zo makkelijk kan uitleggen. Niet allemaal, er zijn er wel die duister zijn, ook voor mij zelf. En dat is ook het leukste wat er is. Ik schrijf vrij intuïtief, er zijn dingen die zich in zekere zin voorschrijven, die komen met de taal mee rollen. En aangezien je ze zelf schrijft, moet je maar vertrouwen dat het toch iets is. Het is een wet dat als je iets geschreven hebt, dat daar een interieure logica in moet zitten. De vergelijking met een droom is niet echt goed, maar ... zoiets."

 

U heeft ook enkele theaterstukken geschreven.

"Tja, misschien had ik ook nog een theaterloopbaan kunnen hebben. Ik heb dat gelaten, omdat men mijn scenario's ook gelaten heeft. En ik ben niet iemand die toneelstukken blijft schrijven als ze ze niet spelen, dan word je heel tragisch.

Later heb ik nog een soort filmscript geschreven. Het was het kernstuk van 'In Nederland', dus zonder de raamvertellingen et cetera. Ze wilden dat graag verfilmen, maar daar kwam geen geld voor, dus dat lag twintig jaar in de la. Toen kreeg ik opeens, rijdend door Spanje, dat idee van een man die dat vertelt. En daar was dan een boek waar ik nu heel blij mee ben. Ik hoef nu geen toneel meer te schrijven."

 

Rare boeken 

Zijn er dingen die u nog wel graag zou willen doen?

"Ik wil gewoon boeken schrijven, rare boeken. Boeken waarmee je iets uitprobeert, waarin ik over bepaalde dingen probeer na te dingen. Zoals 'In Nederland', dat is een vorm van nadenken over roman, fabel, sprookje. 'Het volgende verhaal' was in wezen een poging na te denken over de dood en onsterfelijkheid, naar aanleiding van een citaat van Jünger. Het is een heel raar boek. En iedereen heeft altijd kritiek op mijn boeken, maar niemand doet ooit moeite om achter bepaalde dingen te komen. Ergens in het boek staat dat het behoorlijk zal gaan tochten in het causale bouwwerk, heeft iemand gezegd. Maar niemand weet dat dat Jünger was. Ik heb ook een citaat van Nabokov gebruikt, namelijk dat het een ingewikkelde manoeuvre zal zijn om van de ene staat in de andere te komen, waarmee hij het overschrijden van het doodsmoment bedoelt. Jünger heeft gezegd dat er vlak voor de tijdsmuur, het sterven, van alles zal gebeuren. En die dingen gecombineerd met het volksgeloof dat in die seconden je hele leven als een film aan je voorbijtrekt, dat is het onderwerp van 'Het volgende verhaal'.

Ik weet niet of er na de dood iets gebeurt, maar ik vind het leuk om erover te speculeren. Wat mij intrigeert, is dat het mogelijk is dat wat wij de eeuwigheid noemen, dat dat de seconde van het sterven is, namelijk dat die oneindig lang is, een soort tijdloze tijd. Daar gaat het boek over."

 

Stroom van tijd 

Het fenomeen 'tijd' is een thema dat voortdurend in uw werk terugkeert. Waarom is dat?

"Wat mij intrigeert is het verschil tussen officiële, gemeten, tijd, en de psychologische tijd. De officiële tijd kan alleen maar bestaan als er mensen zijn. De tijd is ontstaan op het moment van de big bang. Bij alles wat er toen geschapen is, is ook de tijd geschapen. Ik vind het fascinerend dat wij omgeven zijn door tijd, dat wij in de tijd zijn. Een oneindige stroom van tijd."

 

Dat klinkt als de filosoof Henri Bergson.

"Ja, la duré. Door alles wat je leest word je beïnvloed. Augustinus, dat is echt een van degenen die het mooiste en meest overtuigend heeft geschreven over tijd. In de dichtbundel 'Vuurtijd, IJstijd' haal ik ook een citaat aan van Augustinus, in het Engels, en daar staat nu precies wat mij in tijd intrigeert: 'Something that passed through the air, and now is not'. Ik vind het leuk om daarover te speculeren. Sommige mensen zeggen: die man zeurt altijd over tijd. Nou, lusten ze het niet, dan laten ze het staan."

 

De tijd drijft de mens naar de dood, schreef u ergens. De dood en onsterfelijkheid zijn dan ook belangrijke thema's in uw werk.

"De enige kans om je bezig te houden met de dood, is als je leeft. Ik meen dat Plato heeft gezegd dat de zin van alle leven, alle filosofie, het goede sterven is. Dan moet je je er nu dus mee bezighouden."

 

Bent u bang voor de dood?

"Dat....ik, ...ik denk dat als je er lang genoeg over nadenkt, dat je dat dan niet meer bent. Ik bedoel, niemand vindt het leuk, maar blijven leven is ook niet voorstelbaar. Het is ook helemaal niet leuk om oud te worden, zeker in deze tijd niet. Ik denk niet dat ik bang ben voor het filosofische idee van de dood. Dat hoort bij de tragiek van de menselijke soort: het is niet leuk, maar we kunnen ons niets anders voorstellen. Behalve dan die mensen die geloven in een hiernamaals, een eeuwig leven. Maar de angst voor de dood is een levensinstinct, je wilt niet dood. Het sterven zelf, pijn, verdriet, afscheid, daar mag je natuurlijk best bang voor zijn."

 

Onsterfelijkheid 

Uw boek bij uitstek over dood en onsterfelijkheid is 'Het volgende verhaal'. De hoofdpersoon gelooft niet in het bestaan van een onsterfelijke ziel. En u?

"Niet één die met het lichaam zal verrijzen, nee. Er blijft wel iets van de mens, in de taal bijvoorbeeld. Zelfs iemand die niet schrijft, niet schildert, niet danst, maar gewoon is en dingen gezegd heeft. Mensen verdwijnen oneindig rücksichtlos. Je hebt mensen die veel doder zijn dan andere mensen. Sommige mensen zijn echt heel erg dood. Dan denk je nog wel eens: 'goh, wat is die verdwenen'. Toch blijft ook van hen iets in taal, attitude, denkwijze, geestelijke faculteiten. Niet zichtbaar, hoorbaar horend bij één iemand. Maar er blijft van de geest natuurlijk iets dat doorwerkt in de geschiedenis. De mensheid is een beweging op weg naar iets."

 

Wat zou dat 'iets' kunnen zijn volgens u?

"Dat zijn eeuwige vragen, ik heb daarop geen eeuwige antwoorden."

 

U heeft sterven wel de verlossing van de geest van de materie genoemd. Dan gelooft u kennelijk toch in iets als een ziel en een 'hiernamaals'?

"Borges heeft ooit gezegd: "Ik wil zo langzamerhand wel eens verlost worden van dat ding dat Borges heet". Maar wat wordt er dan verlost? Het is de vraag of er wel een ziel is. Er is wel iets, we vereenzelvigen ons immers niet volledig met het fysieke object dat we zijn in de wereld. Want anders kon je er niet naar kijken en zeggen 'dat'. Er is dus wel iets, maar wat? Maar al deze speculaties, zonder antwoorden, daar gaat mijn literatuur over."

  

Dit interview werd gepubliceerd in het literair-culturele tijdschrift Icarus, jrg. 1, nr. 2, april 1993.


TOEGIFT:

In 1998 recenseerde ik Allerzielen voor het Nederlands Dagblad - prachtige, intrigerende roman. Die bespreking voeg ik hieronder toe, omdat het sterk raakt aan dezelfde thematiek die in het interview ter sprake kwam.


Een mens mag toch niet zomaar verdwijnen?

'Ik wil rare boeken schrijven,' zei Cees Nooteboom vijf jaar geleden in een interview met Icarus. Nu er eindelijk weer een roman van hem is verschenen, kan worden vastgesteld dat dit hem is gelukt: Allerzielen is een metafysische bespiegeling; er wordt - zoals in de Griekse tragediën - een alwetend koor geïntroduceerd; en het heeft bovendien nauwelijks een plot. Toch is het zeer terecht dat Allerzielen deze week werd genomineerd voor de Libris-literatuurprijs.

 

Om met dat plot te beginnen: aan het begin van het boek, blz 7,  wandelt Arthur Daane - de hoofdpersoon, een Nederlandse cineast - door de besneeuwde straten van Berlijn, op blz 76 komt de lezer te weten waar hij naartoe gaat en op blz 83 belandt hij in een kroeg vol vrienden, om daar op blz 111 weer weg te gaan. Pas op blz 157, als hij een jonge vrouw  - Elik Oranje - opzoekt die hij toevallig ontmoette, begint er iets te gebeuren. Veel is dat niet. Ze hebben een kortstondige seksuele relatie, dan verdwijnt ze plotseling naar Spanje en hij reist haar achterna. Kortom: deze roman moet het niet hebben van de actie.

Waar het allemaal om draait, zijn de bespiegelingen en filosofische discussies tussen Daane en zijn vrienden - over het Duitse verleden, het lijden in de wereld, het fenomeen tijd en de filosofie van Hegel. Hoogdravend, ironisch en steevast ietwat verveeld. Al voorin het boek schrijft Nooteboom: 'Verveling is de fysieke sensatie van chaos'. En die ervaring van chaos, dat is wat Daane dwarszit: de schijnbare toevalligheid van gebeurtenissen, de afwezigheid van zichtbare samenhang, de anonimiteit van het leven, en het feit dat de mens sterft en dan onherroepelijk verdwenen is.

De eerste keer dat het 'koor' inbreekt in het verhaal, zijn de eerste woorden: 'Wat ons altijd blijft verwonderen is dat jullie je zo weinig verwonderen (…) jullie zijn dan wel sterfelijk, maar het feit dat dat ene, minimale brein over de eeuwigheid na kan denken (…) dat is het raadsel.' Daane verwondert zich wél. Aan het begin van het boek ziet hij tweemaal zijn reflectie in een etalageruit en dat vindt hij vervelend, omdat het hem ongevraagd bewust maakt van zijn bestaan. Hij ziet zichzelf lopen, een volstrekt toevallige momentopname, en het roept een gevoel van 'verbazing' bij hem op, nee sterker nog: 'Angst. Verbijstering.' Hij vindt het 'niet om uit te houden'. En uit die verbijstering 'komt alles voort. (…) Kunst, godsdienst, filosofie.' Het pure feit van zijn bestaan roept onthutsende, existentiële vragen bij hem op naar wie de mens is, en naar een mogelijke zin van het leven.

 

Onophoudelijkheid

 De enige rode lijn in het leven van Daane is de film waaraan hij voortdurend werkt, een film die zelf geen enkele rode lijn heeft. Wat hij filmt, is 'geruis (…) Alles wat er is en waar nooit iemand op let.' Zonder te weten wat hij ermee wil, filmt hij vier seizoenen lang elke dag de kastanjeboom voor zijn raam, filmt hij de onaflatende stroom voeten op de trappen van de metro of de trottoirs, 'een menigte op weg zonder zichtbaar doel, beweging die, zoals hier, zijn lege beeld achterliet en ergens anders onophoudelijk doorging. Hoe lang kon je zoiets filmen om die onophoudelijkheid te suggereren? De oneindigheid ervan? Maar dat klonk vreselijk, en het was precies dat vreselijke dat iets met zijn hele project te maken had, dat krankzinnige idee dat voor hem uitweek, dat hij nooit echt kon grijpen, dat hem, dacht hij, hoopte hij, duidelijk zou worden als hij genoeg beelden verzameld had.'

Wat hem angst aanjaagt, is de nietigheid van de mens. Iedereen is anoniem onderweg, iedereen heeft zijn eigen doel, maar het onherroepelijke lot van de mens is de dood. En wat is het dan wat de mensen voortdrijft, die 'blinde kracht die mensen voortjoeg op weg naar iets wat met hun verdwijning eindigde'? Door alles te filmen, hoopt hij 'iets buit [te] maken dat het raadsel kleiner zou maken'.

Daane en zijn vrienden discussiëren herhaaldelijk over de tijd, een thema dat telkens terugkeert in het werk van Nooteboom. 'De tijd drijft de mens naar de dood', schreef hij in Het volgende verhaal (1991). Het is de 'bedachte tijd' die 'doel en richting' veronderstelt. Maar wat zijn die doel en richting dan? Daane is geobsedeerd door geschiedenis, want misschien dat door de loop van de geschiedenis iets duidelijk wordt over de richting, of zelfs een betekenis: 'Wat hem fascineerde aan het idee van geschiedenis was de chemische verbinding van noodlot, toeval en bedoeling. Uit die combinatie kwamen lotgevallen voort die weer andere lotgevallen voortbrachten, blind volgens de een, onafwendbaar volgens de ander, of volgens nog weer anderen met een geheime, door ons nog niet gekende bedoeling, maar dan werd het al aardig zweverig.'

Daane wil zich niet neerleggen bij de betekenisloosheid van het bestaan en het definitieve verdwijnen in de dood. Er móet meer zijn; een mens mag toch niet zomaar verdwijnen?

 

Beperkt beeld

Ook Elik, het meisje op wie hij verliefd wordt, weigert zich neer te leggen bij dat verdwijnen. Zelf is ze bij uitstek iemand die anoniem is en verdwijnt ('ik ben wereldkampioen afscheid nemen'), maar in haar werk probeert ze juist krampachtig het tegenovergestelde te bereiken. Ze werkt aan een biografie van een volstrekt onbeduidende Asturische koningin uit de twaalfde eeuw, 'een liefdesdaad moet het worden, zij zal die vrouw uit het verstikkende verleden redden'.

Haar project is tot mislukken gedoemd. Er zijn nauwelijks feiten bekend, dus hoe zal ze alle leemtes moeten invullen? Ze zal onvermijdelijk haar eigen beeld vormen, maar in hoeverre benadert dat de werkelijkheid? Met ditzelfde probleem ziet Daane zich geconfronteerd: hij kan onmogelijk álles filmen, maar alleen als hij alles filmt, bevat zijn film de werkelijkheid, en alleen dan kan hij een mogelijke bedoeling erin ontdekken - als die er al is. Zoals zijn spiegelbeeld in een etalageruit maar een beeld is en niet laat zien wie hij is, zo zijn ook zijn waarnemingen slechts beelden die niet laten zien wat er gaande is.

Tegen het eind van het boek lijkt Daane zich hierbij neer te leggen en hij begint zich los te maken van het verleden. 'Je hebt er niks te zoeken,' zegt iemand tegen hem. 'Als je steeds maar daar wilt zijn, ben je niet hier (…) Zo ben je nooit ergens echt.' Uiteindelijk legt hij zich zelfs neer bij het feit dat de mens 'verdwijnt'. In plaats van Elik nog langer achterna te reizen naar Santiago, neemt hij de weg naar het noorden en keert terug naar zijn vrienden in Berlijn.

 

Wat mensen niet kunnen, kan het koor wel: alles tegelijkertijd zien. Als een alwetende verteller vertelt het koor wat Elik en Daane niet van elkaar kunnen weten, of wat de verschillende vrienden op een bepaald moment doen, onwetend van elkaar. Maar het onthoudt zich van een duiding, van het aanwijzen van een samenhang, richting of betekenis. Het koor constateert dat er geen grote verhalen meer zijn en dus geen helden. 'Al jullie verhalen zijn verhalen van niets, behalve voor jullie zelf. (…) Dat maakt jullie vluchtiger, en, als je het ons vraagt, tragischer. Jullie hebben geen echo.' Zegt Nooteboom hiermee dat het bestaan geen bedoeling heeft? Hij laat het min of meer in het midden. De laatste, niets- en veelzeggende, woorden van de roman worden uitgesproken door het koor: 'En wij? Ach wij…'

In het interview met Icarus filosofeerde Nooteboom over dezelfde thema's: 'Het zijn eeuwige vragen, ik heb daarop geen eeuwige antwoorden. Maar al deze speculaties, zonder antwoorden, daarover gaat mijn literatuur.' En zo is ook Allerzielen 'een verhaal van niets', maar het is een uiterst knap geconstrueerde roman rond zeer wezenlijke vragen. En dat kan van maar weinig eigentijdse literatuur worden gezegd.

 

Ronald Westerbeek

 

N.a.v. Allerzielen, Cees Nooteboom, uitgeverij Atlas, Amsterdam 1998, 399 blz., f.49,90 (gebonden)


Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.