‘Je moet door de wereld en dat is vaak geen aangename plek’: Cees Nooteboom over de tragiek van de menselijke soort
Cees Nooteboom is en blijft een beetje een vreemde meneer die nergens echt bij hoort. Niet bij het Nederlandse literaire leven, niet bij een stroming en niet bij de wereld waarin hij reist. Hij woont in Amsterdam, maar ook in Spanje en Berlijn. Maar meestal is hij op reis. Zijn hele leven lijkt een aaneenschakeling van reizen. Zijn debuutroman ‘Philip en de anderen' (1955) was de neerslag van een lifttocht door Frankrijk. In de jaren zestig reisde hij buiten de Europese grenzen en schreef hij literaire reisreportages voor de Volkskrant en Avenue, die in boekvorm gebundeld werden. Later volgden romans over reizende mensen, en reisboeken als 'Voorbije passages' (1981), 'De wereld een reiziger' (1989) en 'De omweg naar Santiago' (1992). De wereld van zijn boeken is melancholisch en soms surrealistisch. De sfeer een beetje weg van hier, de taal poëtisch.
"Gewoon realisme in fictioneel werk, doet me
niets," verklaart Nooteboom. "In 'Philip en de anderen' wordt toch
ook al een beetje getoverd. Het hoort tegenwoordig dat je realistisch schrijft.
Maar dat boeit me totaal niet. Ik heb het maar één keer gedaan, in 'Rituelen'.
Mij interesseert meer een literatuur die zijn eigen werkelijkheid schept, dan
een literatuur die de werkelijkheid weergeeft. Een schrijver is iemand die het
talent behouden heeft de werkelijkheid naar eigen inzicht te hervormen: iemand
die zich uit de wereld terugtrekt op z'n kamertje, geheel alleen en iets opschrijft
wat er nog niet was. Dat is een heel aardig beroep."
Droomwereld
In het schemerige woonkamertje-met-schouw van Nootebooms
grachtenpand in Amsterdam praten we een halve ochtend te midden van boeken en
schilderijen. Af en toe komt zijn levensgezel Simone binnen met verse koffie.
Tot in de keuken liggen Nootebooms boeken opgestapeld; Duitse, Franse, Spaanse
en Engels uitgaven. Zijn oeuvre omvat al meer dan dertig titels.
"Ik geloof dat ieder mens het talent om de
werkelijkheid te hervormen oorspronkelijk bezat. Fantaseren is een talent dat
eigenlijk alle kinderen hebben. Ze komen thuis met een fantastisch verhaal
waarvan de ouders weten: dat kan dus niet. Die verbeeldingsgave wordt je
afgeleerd. Je moet de waarheid vertellen, je moet de werkelijkheid
weerspiegelen. De wereld is nou niet bepaald een kracht die vóór de verbeelding
is. De meest mensen conformeren zich, schamen zich voor hun fantasie, zijn bang
om gek gevonden te worden."
Uw romandebuut 'Philip en de anderen' is eind vorig jaar
uitgebracht in Frankrijk en Duitsland. Het boek wordt vaak gezien als de
beschrijving van een initiatiereis, een inwijding. In hoe verre was het dat
voor u zelf?
"Philip creëert direct al zijn eigen wereld die haaks
staat op de werkelijkheid van de mensen om hem heen. Het is een zelfbedachte
droomwereld, die in stand gehouden moet worden in de echte werkelijkheid. In
die zin is het voor mij zelf een initiatiereis, want het instandhouden van die
wereld, daar gaat toch een flink deel van mijn werk over."
U was Philip?
"Ja..., nee, ik was Philip niet. Ik heb niet de monnik
ontmoet, ik heb niet naar het Chinese meisje gezocht. Maar op die leeftijd is
er weinig afstand tussen schrijver en personage. In zoverre dat hij mijn
creatie was, was ik hem natuurlijk. Ik zou 'Philip en de anderen' nu heel
anders schrijven. Ik wist toen niks van schrijven en schrijftechniek. Wat ik in
'Philip en de anderen' zie, is mijn pure talent, met alle fouten van dien. Maar
op een gegeven moment is een boek af. Dan kan ik er later niet meer in. Elk
fictioneel werk is zijn eigen eenheid. Een van de dingen die je later leert, is
dat de wereld niet zo in elkaar zit als die voor Philip in elkaar zat."
In uw meest recente boeken, 'De omweg naar Santiago' en
'Vreemd water', lijkt u toch nog steeds te dwalen door een grote boze wereld,
net als Philip.
"Ja, ik reis nog steeds door de wereld, maar in een
andere vorm. Ik kan niet meer gaan liften, om maar eens iets te noemen. Je
verandert ook niet geheel van persoonlijkheid. Maar je moet door de wereld, en
de wereld is vaak geen aangename plek... Je wordt ouder, gelooider en wijzer of
misschien stommer, de hemel mag het weten."
Universum
"Dat kun je natuurlijk zeggen, maar dat zijn van die
ontoelaatbare dingen die een schrijver nooit zal doen. Een boek is een
fictioneel universum, dat is dicht. En het volgende boek ook. De hoofdpersonen
hebben met elkaar niets te maken. Wat u nou doet is psychologie. 'De eerste
figuur is gecreëerd door iemand, en die tweede ook, dus daar moet een link
tussen zitten'. Maar dat betekent dat je niet volledig in het fictionele
universum van die boeken bent getreden. Met zo'n benadering hebben ze allemaal
met elkaar te maken, dan is het een grote soep van personen die eigenlijk
allemaal de schrijver zijn. Maar zo is het niet de bedoeling. Philip is een
creatie, die kun je niet zo maar overbrengen in een ander boek en hem
vermoorden U moet het als afzonderlijke werken zien. Philip is misschien na
zijn lifttocht op kantoor gegaan en voor eeuwig gebleven. Daar kun je niks mee."
Vanaf 'De ridder is gestorven' wordt in uw werk een
conflict uitgevochten tussen fictie en werkelijkheid. De tijden en de
handelingen 'kloppen niet'.
"Ik word vaak een postmodern schrijver genoemd, maar
dat is iets van academici, dat houdt me niet bezig. Net zo min als ik mezelf
tot een literaire stroming zal rekenen. Ik weet nog dat ik in Amerika voorlas
uit 'Een lied van schijn en wezen'. 'Ah', zei iemand, 'dit is metafictie'. Ik
wist niet eens wat ze ermee bedoelden. Nu weet ik precies wat het is, namelijk
een boek waarin je over een boek schrijft. Dat zie ik ook nog wel en dan ben ik
bereid om te zeggen: ja, dit is metafictie. Maar ik noem mijzelf absoluut niet
postmodern. Mij zegt het niks."
Afzondering
"Een fictionele creatie kan ik alleen schrijven als ik
mij in een soort tijdsvacuüm bevind. Dan moet ik me echt afzonderen en dan moet
ik toch een beetje de wereld opzij houden. Ik zou dan niet 's avonds nog een
stuk over de huidige politiek kunnen schrijven. Als je een idee hebt voor een
roman, dan kun je niet al te veel wereld toelaten, want dan vertroebelt het.
Maar ik ben in 1989 naar Berlijn gegaan om een roman te
schrijven, fictie dus, en toen viel de Muur. Die roman is er dus nooit gekomen.
Omdat de gebeurtenissen me zo bezighielden, werd het een journalistiek werk,
'Berlijnse notities'. Het makkelijke van non-fictie is, dat je geen onderwerp
hoeft te verzinnen. Dat is het verschil met fictie. De schrijvende instantie
registreert en noteert alleen maar. Je kunt gewoon doorschrijven zonder dat je
iets hoeft te verzinnen want de wereld verzint het even voor je. Bij fictie
moet je toch telkens weer een heel fictioneel universum, tja dat klinkt zo
groot, maar ik weet het niet anders te zeggen, een fictionele eenheid creëren.
Iets waar je intreedt en waar je dan in moet blijven."
Cynisch
Maar ook binnen de verschillende genres is bij u sprake
van aan de ene kant een journalistieke, observerende houding, en aan de andere
kant een flinke dosis emotionele betrokkenheid.
"Als ik niet betrokken was geweest bij wat er in
Duitsland gebeurde, had ik nooit zo kunnen registreren als in 'Berlijnse
notities'. Aan de andere kant, als je niet heel goed registreert wat er gebeurt
raak je ook nooit zo betrokken. Maar er zijn vormen van betrokkenheid waarbij
je door de bomen het bos niet meer ziet, waarbij je zelf partij wordt."
Het afstandelijke in uw stijl wordt vaak cynisme genoemd.
Bent u cynisch?
"Nee, niet cynisch, dat geloof ik niet. Maar er zijn in
de wereld wel een aantal constanten van kwaad, van onrechtvaardigheid,
die...eh... je moet er maar tegen kunnen. En een van de dingen waarmee je je
wapent is een zekere gelooidheid. Dat kun je cynisme noemen. Iedereen die elke
dag de beelden van onrechtvaardigheid op de televisie ziet is al cynisch, al
windt hij zich nog op.
Wij profiteren als maatschappij van de onrechtvaardigheden
in de wereld, op grote schaal. Dat is pas echt cynisch."
Boodschap
Heeft u een bedoeling met uw schrijven?
"Ik neem het aan. Het schrijven is de bedoeling zelf.
Het doen zelf, de actie, het creatieve proces. De behoefte om iets te maken.
Maar een boodschap? Je hebt het tegen iemand natuurlijk, je vertelt een verhaal
in het geval van fictie. Maar ik vertel het niet om de wereld uit te leggen. De
boodschap is het ding zelf. Maar ik ga niet zitten schrijven met het idee: ik
ga een wereldbeeld overbrengen. Je hebt een bepaald idee ergens over, en
daarover wil je schrijven. Dat zijn processen die uit de persoonlijkheid zelf
voortkomen. De lust om te vertellen, dat is het."
En wanneer u reisverhalen schrijft, non-fictie?
"Dan probeer ik wel te laten zien hoe dingen in elkaar
zitten. In een boek als de 'Berlijnse Notities'...tja, wie het leest, leest
het, wie het niet leest niet, ik overschat de invloed geen drie minuten, maar
iemand die het leest krijgt wel een inzicht in de Duitse situatie. Zo bezien
zijn er dingen die ik wel wil overbrengen, ja. Maar ik sta niet op en denk: ik
moet de mensheid een boodschap brengen.
Als je het goed doet, is die boodschap er toch wel. Ik
geloof dat goede boeken iets bewerkstelligen bij mensen. Milan Kundera heeft
gezegd dat fictie een subversieve kracht is. In wezen wordt literatuur altijd gewantrouwd,
en dat is wat het zo groot maakt. In die zin is kunst het desem van de
maatschappij. Dat in tegenstelling tot de televisie, die zich volstrekt
conformeert aan de samenleving. Stel je voor dat er geen kunst was, wat zou dan
nog de innerlijke werking van mensen kunnen beïnvloeden?"
Religie?
"Ja..., maar wat is dat? Ik bedoel, de georganiseerde
vorm van religie, zoals we die al eeuwen kennen? Ik heb niet de indruk dat
mensen daar nieuw van worden. Het dient als, of laat ik eerlijk zijn: het dient
bij véél mensen als afweermiddel tegen angst."
Hoe bedoelt u dat?
"Van nature is de mens bang voor de dood. Omdat dat het
einde is van het leven. Of in elk geval het leven zoals we dat kennen. Maar ook
omdat de dood het leven zo zinloos maakt. Religie geeft in ten minste die zin
aan het leven en de mogelijkheid van een leven na de dood. Religie interesseert
mij in de georganiseerde vormen weinig."
In hoeverre speelt uw katholieke opvoeding nog een rol
voor u?
"In zo verre dat ik een boek als 'Het volgende verhaal'
nooit had kunnen schrijven zonder mijn gymnasiale kennis van de klassieken. Dat
heb ik aan mijn katholieke jeugd te danken. Maar mijn zin voor mystiek komt
daar niet vandaan. In 'Rituelen' heb ik al gezegd dat mystiek ook zonder
godsdienst bestaat. En een mysticus uit Azië is net zo goed een mysticus als de
Heilige Johannes van het Kruis. Het is een vorm van zijn. Officiële religies
weten daar bijna nooit iets mee aan te vangen."
Gedichten
"Ik denk dat de kern van mijn wezen het dichterschap
is. Ik schrijf ook romans. Maar zonder poëzie kan ik mij de wereld niet
voorstellen. Het is een andere uiting, meer bij de kern, bij je
persoonlijkheid. Romans zijn meer naar buiten, een publieke vorm van poëzie. In
een gedicht kan je je toestaan minder expliciet te zijn. Hermetisch, zoals dat
dan heet."
Uw gedichten zijn nooit erg positief ontvangen door de
critici. Kwalificaties als 'hermetisch' en 'ondoorgrondelijk' vallen inderdaad
nogal eens.
"Ik houd dat altijd tegen, omdat ik ze zo makkelijk kan
uitleggen. Niet allemaal, er zijn er wel die duister zijn, ook voor mij zelf.
En dat is ook het leukste wat er is. Ik schrijf vrij intuïtief, er zijn dingen
die zich in zekere zin voorschrijven, die komen met de taal mee rollen. En
aangezien je ze zelf schrijft, moet je maar vertrouwen dat het toch iets is.
Het is een wet dat als je iets geschreven hebt, dat daar een interieure logica
in moet zitten. De vergelijking met een droom is niet echt goed, maar ...
zoiets."
U heeft ook enkele theaterstukken geschreven.
"Tja, misschien had ik ook nog een theaterloopbaan
kunnen hebben. Ik heb dat gelaten, omdat men mijn scenario's ook gelaten heeft.
En ik ben niet iemand die toneelstukken blijft schrijven als ze ze niet spelen,
dan word je heel tragisch.
Later heb ik nog een soort filmscript geschreven. Het was
het kernstuk van 'In Nederland', dus zonder de raamvertellingen et cetera. Ze
wilden dat graag verfilmen, maar daar kwam geen geld voor, dus dat lag twintig
jaar in de la. Toen kreeg ik opeens, rijdend door Spanje, dat idee van een man
die dat vertelt. En daar was dan een boek waar ik nu heel blij mee ben. Ik hoef
nu geen toneel meer te schrijven."
Rare boeken
Zijn er dingen die u nog wel graag zou willen doen?
"Ik wil gewoon boeken schrijven, rare boeken. Boeken
waarmee je iets uitprobeert, waarin ik over bepaalde dingen probeer na te
dingen. Zoals 'In Nederland', dat is een vorm van nadenken over roman, fabel,
sprookje. 'Het volgende verhaal' was in wezen een poging na te denken over de
dood en onsterfelijkheid, naar aanleiding van een citaat van Jünger. Het is een
heel raar boek. En iedereen heeft altijd kritiek op mijn boeken, maar niemand
doet ooit moeite om achter bepaalde dingen te komen. Ergens in het boek staat
dat het behoorlijk zal gaan tochten in het causale bouwwerk, heeft iemand
gezegd. Maar niemand weet dat dat Jünger was. Ik heb ook een citaat van Nabokov
gebruikt, namelijk dat het een ingewikkelde manoeuvre zal zijn om van de ene staat
in de andere te komen, waarmee hij het overschrijden van het doodsmoment
bedoelt. Jünger heeft gezegd dat er vlak voor de tijdsmuur, het sterven, van
alles zal gebeuren. En die dingen gecombineerd met het volksgeloof dat in die
seconden je hele leven als een film aan je voorbijtrekt, dat is het onderwerp van
'Het volgende verhaal'.
Ik weet niet of er na de dood iets gebeurt, maar ik vind het
leuk om erover te speculeren. Wat mij intrigeert, is dat het mogelijk is dat
wat wij de eeuwigheid noemen, dat dat de seconde van het sterven is, namelijk
dat die oneindig lang is, een soort tijdloze tijd. Daar gaat het boek
over."
Stroom van tijd
Het fenomeen 'tijd' is een thema dat voortdurend in uw
werk terugkeert. Waarom is dat?
"Wat mij intrigeert is het verschil tussen officiële,
gemeten, tijd, en de psychologische tijd. De officiële tijd kan alleen maar
bestaan als er mensen zijn. De tijd is ontstaan op het moment van de big bang.
Bij alles wat er toen geschapen is, is ook de tijd geschapen. Ik vind het
fascinerend dat wij omgeven zijn door tijd, dat wij in de tijd zijn. Een
oneindige stroom van tijd."
Dat klinkt als de filosoof Henri Bergson.
"Ja, la duré. Door alles wat je leest word je
beïnvloed. Augustinus, dat is echt een van degenen die het mooiste en meest overtuigend
heeft geschreven over tijd. In de dichtbundel 'Vuurtijd, IJstijd' haal ik ook
een citaat aan van Augustinus, in het Engels, en daar staat nu precies wat mij
in tijd intrigeert: 'Something that passed through the air, and now is not'. Ik
vind het leuk om daarover te speculeren. Sommige mensen zeggen: die man zeurt
altijd over tijd. Nou, lusten ze het niet, dan laten ze het staan."
De tijd drijft de mens naar de dood, schreef u ergens. De
dood en onsterfelijkheid zijn dan ook belangrijke thema's in uw werk.
"De enige kans om je bezig te houden met de dood, is
als je leeft. Ik meen dat Plato heeft gezegd dat de zin van alle leven, alle
filosofie, het goede sterven is. Dan moet je je er nu dus mee
bezighouden."
Bent u bang voor de dood?
"Dat....ik, ...ik denk dat als je er lang genoeg over
nadenkt, dat je dat dan niet meer bent. Ik bedoel, niemand vindt het leuk, maar
blijven leven is ook niet voorstelbaar. Het is ook helemaal niet leuk om oud te
worden, zeker in deze tijd niet. Ik denk niet dat ik bang ben voor het
filosofische idee van de dood. Dat hoort bij de tragiek van de menselijke
soort: het is niet leuk, maar we kunnen ons niets anders voorstellen. Behalve
dan die mensen die geloven in een hiernamaals, een eeuwig leven. Maar de angst
voor de dood is een levensinstinct, je wilt niet dood. Het sterven zelf, pijn,
verdriet, afscheid, daar mag je natuurlijk best bang voor zijn."
Onsterfelijkheid
Uw boek bij uitstek over dood en onsterfelijkheid is 'Het
volgende verhaal'. De hoofdpersoon gelooft niet in het bestaan van een onsterfelijke
ziel. En u?
"Niet één die met het lichaam zal verrijzen, nee. Er
blijft wel iets van de mens, in de taal bijvoorbeeld. Zelfs iemand die niet
schrijft, niet schildert, niet danst, maar gewoon is en dingen gezegd heeft.
Mensen verdwijnen oneindig rücksichtlos. Je hebt mensen die veel doder zijn dan
andere mensen. Sommige mensen zijn echt heel erg dood. Dan denk je nog wel
eens: 'goh, wat is die verdwenen'. Toch blijft ook van hen iets in taal,
attitude, denkwijze, geestelijke faculteiten. Niet zichtbaar, hoorbaar horend bij
één iemand. Maar er blijft van de geest natuurlijk iets dat doorwerkt in de
geschiedenis. De mensheid is een beweging op weg naar iets."
Wat zou dat 'iets' kunnen zijn volgens u?
"Dat zijn eeuwige vragen, ik heb daarop geen eeuwige
antwoorden."
U heeft sterven wel de verlossing van de geest van de
materie genoemd. Dan gelooft u kennelijk toch in iets als een ziel en een
'hiernamaals'?
"Borges heeft ooit gezegd: "Ik wil zo
langzamerhand wel eens verlost worden van dat ding dat Borges heet". Maar
wat wordt er dan verlost? Het is de vraag of er wel een ziel is. Er is wel
iets, we vereenzelvigen ons immers niet volledig met het fysieke object dat we
zijn in de wereld. Want anders kon je er niet naar kijken en zeggen 'dat'. Er
is dus wel iets, maar wat? Maar al deze speculaties, zonder antwoorden, daar
gaat mijn literatuur over."
Dit interview werd gepubliceerd in het literair-culturele
tijdschrift Icarus, jrg. 1, nr. 2, april 1993.
TOEGIFT:
In 1998 recenseerde ik Allerzielen voor het Nederlands Dagblad - prachtige, intrigerende roman. Die bespreking voeg ik hieronder toe, omdat het sterk raakt aan dezelfde thematiek die in het interview ter sprake kwam.
Een mens mag toch niet zomaar verdwijnen?
'Ik wil rare boeken
schrijven,' zei Cees Nooteboom vijf jaar geleden in een interview met Icarus. Nu er eindelijk weer een roman
van hem is verschenen, kan worden vastgesteld dat dit hem is gelukt: Allerzielen is een metafysische
bespiegeling; er wordt - zoals in de Griekse tragediën - een alwetend koor
geïntroduceerd; en het heeft bovendien nauwelijks een plot. Toch is het zeer
terecht dat Allerzielen deze week
werd genomineerd voor de Libris-literatuurprijs.
Om met dat plot te beginnen: aan het begin van het boek, blz 7, wandelt Arthur Daane - de hoofdpersoon, een Nederlandse cineast - door de besneeuwde straten van Berlijn, op blz 76 komt de lezer te weten waar hij naartoe gaat en op blz 83 belandt hij in een kroeg vol vrienden, om daar op blz 111 weer weg te gaan. Pas op blz 157, als hij een jonge vrouw - Elik Oranje - opzoekt die hij toevallig ontmoette, begint er iets te gebeuren. Veel is dat niet. Ze hebben een kortstondige seksuele relatie, dan verdwijnt ze plotseling naar Spanje en hij reist haar achterna. Kortom: deze roman moet het niet hebben van de actie.
Waar het allemaal om
draait, zijn de bespiegelingen en filosofische discussies tussen Daane en zijn
vrienden - over het Duitse verleden, het lijden in de wereld, het fenomeen tijd
en de filosofie van Hegel. Hoogdravend, ironisch en steevast ietwat verveeld.
Al voorin het boek schrijft Nooteboom: 'Verveling is de fysieke sensatie van
chaos'. En die ervaring van chaos, dat is wat Daane dwarszit: de schijnbare
toevalligheid van gebeurtenissen, de afwezigheid van zichtbare samenhang, de
anonimiteit van het leven, en het feit dat de mens sterft en dan onherroepelijk
verdwenen is.
De eerste keer dat het
'koor' inbreekt in het verhaal, zijn de eerste woorden: 'Wat ons altijd blijft
verwonderen is dat jullie je zo weinig verwonderen (…) jullie zijn dan wel
sterfelijk, maar het feit dat dat ene, minimale brein over de eeuwigheid na kan
denken (…) dat is het raadsel.' Daane verwondert zich wél. Aan het begin van
het boek ziet hij tweemaal zijn reflectie in een etalageruit en dat vindt hij
vervelend, omdat het hem ongevraagd bewust maakt van zijn bestaan. Hij ziet
zichzelf lopen, een volstrekt toevallige momentopname, en het roept een gevoel
van 'verbazing' bij hem op, nee sterker nog: 'Angst. Verbijstering.' Hij vindt
het 'niet om uit te houden'. En uit die verbijstering 'komt alles voort. (…)
Kunst, godsdienst, filosofie.' Het pure feit van zijn bestaan roept
onthutsende, existentiële vragen bij hem op naar wie de mens is, en naar een
mogelijke zin van het leven.
Onophoudelijkheid
Wat hem angst aanjaagt,
is de nietigheid van de mens. Iedereen is anoniem onderweg, iedereen heeft zijn
eigen doel, maar het onherroepelijke lot van de mens is de dood. En wat is het
dan wat de mensen voortdrijft, die 'blinde kracht die mensen voortjoeg op weg
naar iets wat met hun verdwijning eindigde'? Door alles te filmen, hoopt hij
'iets buit [te] maken dat het raadsel kleiner zou maken'.
Daane en zijn vrienden discussiëren herhaaldelijk over de tijd, een thema dat telkens terugkeert in het werk van Nooteboom. 'De tijd drijft de mens naar de dood', schreef hij in Het volgende verhaal (1991). Het is de 'bedachte tijd' die 'doel en richting' veronderstelt. Maar wat zijn die doel en richting dan? Daane is geobsedeerd door geschiedenis, want misschien dat door de loop van de geschiedenis iets duidelijk wordt over de richting, of zelfs een betekenis: 'Wat hem fascineerde aan het idee van geschiedenis was de chemische verbinding van noodlot, toeval en bedoeling. Uit die combinatie kwamen lotgevallen voort die weer andere lotgevallen voortbrachten, blind volgens de een, onafwendbaar volgens de ander, of volgens nog weer anderen met een geheime, door ons nog niet gekende bedoeling, maar dan werd het al aardig zweverig.'
Daane wil zich niet
neerleggen bij de betekenisloosheid van het bestaan en het definitieve
verdwijnen in de dood. Er móet meer zijn; een mens mag toch niet zomaar
verdwijnen?
Beperkt beeld
Ook Elik, het meisje op wie hij verliefd wordt, weigert zich neer te leggen bij dat verdwijnen. Zelf is ze bij uitstek iemand die anoniem is en verdwijnt ('ik ben wereldkampioen afscheid nemen'), maar in haar werk probeert ze juist krampachtig het tegenovergestelde te bereiken. Ze werkt aan een biografie van een volstrekt onbeduidende Asturische koningin uit de twaalfde eeuw, 'een liefdesdaad moet het worden, zij zal die vrouw uit het verstikkende verleden redden'.
Haar project is tot
mislukken gedoemd. Er zijn nauwelijks feiten bekend, dus hoe zal ze alle
leemtes moeten invullen? Ze zal onvermijdelijk haar eigen beeld vormen, maar in
hoeverre benadert dat de werkelijkheid? Met ditzelfde probleem ziet Daane zich
geconfronteerd: hij kan onmogelijk álles filmen, maar alleen als hij alles
filmt, bevat zijn film de werkelijkheid, en alleen dan kan hij een mogelijke
bedoeling erin ontdekken - als die er al is. Zoals zijn spiegelbeeld in een
etalageruit maar een beeld is en niet laat zien wie hij is, zo zijn ook zijn
waarnemingen slechts beelden die niet laten zien wat er gaande is.
Tegen het eind van het
boek lijkt Daane zich hierbij neer te leggen en hij begint zich los te maken
van het verleden. 'Je hebt er niks te zoeken,' zegt iemand tegen hem. 'Als je
steeds maar daar wilt zijn, ben je niet hier (…) Zo ben je nooit ergens echt.'
Uiteindelijk legt hij zich zelfs neer bij het feit dat de mens 'verdwijnt'. In
plaats van Elik nog langer achterna te reizen naar Santiago, neemt hij de weg
naar het noorden en keert terug naar zijn vrienden in Berlijn.
Wat mensen niet kunnen,
kan het koor wel: alles tegelijkertijd zien. Als een alwetende verteller
vertelt het koor wat Elik en Daane niet van elkaar kunnen weten, of wat de
verschillende vrienden op een bepaald moment doen, onwetend van elkaar. Maar
het onthoudt zich van een duiding, van het aanwijzen van een samenhang,
richting of betekenis. Het koor constateert dat er geen grote verhalen meer
zijn en dus geen helden. 'Al jullie verhalen zijn verhalen van niets, behalve
voor jullie zelf. (…) Dat maakt jullie vluchtiger, en, als je het ons vraagt,
tragischer. Jullie hebben geen echo.' Zegt Nooteboom hiermee dat het bestaan
geen bedoeling heeft? Hij laat het min of meer in het midden. De laatste,
niets- en veelzeggende, woorden van de roman worden uitgesproken door het koor:
'En wij? Ach wij…'
In het interview met Icarus filosofeerde Nooteboom over
dezelfde thema's: 'Het zijn eeuwige vragen, ik heb daarop geen eeuwige
antwoorden. Maar al deze speculaties, zonder antwoorden, daarover gaat mijn
literatuur.' En zo is ook Allerzielen 'een
verhaal van niets', maar het is een uiterst knap geconstrueerde roman rond zeer
wezenlijke vragen. En dat kan van maar weinig eigentijdse literatuur worden
gezegd.
Ronald Westerbeek
N.a.v. Allerzielen, Cees Nooteboom, uitgeverij
Atlas, Amsterdam 1998, 399 blz., f.49,90 (gebonden)

Geen opmerkingen:
Een reactie posten
Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.